Vocabulario
Filtros1
66 palabras · página 1 de 3
alA1
ya
Ben je er nu al?
alleenA1
solo; solamente
Ik woon alleen.
altijdA1
siempre
Hij komt altijd te laat.
apartA1
por separado
We betalen apart.
beterA1
mejor
Ik voel me vandaag al beter.
bijnaA1
casi
Ik ben bijna klaar.
bijvoorbeeldA1
por ejemplo
Neem bijvoorbeeld de bus van acht uur.
binnenA1
dentro
Kom binnen, het is koud buiten.
bovenA1
arriba
De slaapkamers zijn boven.
buitenA1
fuera
De kinderen spelen buiten.
daarA1
allí
Daar staat mijn fiets.
daarnaA1
después
Eerst eten we, daarna gaan we wandelen.
daaromA1
por eso
Het regende, daarom bleef ik thuis.
dichtbijA1
cerca
De school is heel dichtbij.
dusA1
así que
Het is laat, dus ik ga naar huis.
eergisterenA1
anteayer
Eergisteren was ik bij de dokter.
eerstA1
primero, en primer lugar
Ik ga eerst douchen.
eigenlijkA1
en realidad
Eigenlijk vind ik het geen goed idee.
ergA1
muy; grave
Dat is erg vervelend.
evenA1
un momento
Wacht even, ik kom eraan.
gauwA1
pronto
Tot gauw!
geledenA1
hace (tiempo)
Ik ben drie jaar geleden naar Nederland gekomen.
genoegA1
suficiente
Er is genoeg eten voor iedereen.
gisterenA1
ayer
Gisteren was ik ziek.
graagA1
con gusto
Ik drink graag koffie.

