Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

4598 palabras · página 92 de 184

  • de medewerkerA2

    empleado, trabajador

    Een medewerker van de winkel helpt mij met mijn vraag.

  • de medewerkingB1

    cooperación, colaboración

    Bedankt voor uw medewerking aan het onderzoek.

  • de medezeggenschapB2

    cogestión

    Werknemers hebben medezeggenschap over het beleid.

  • de medezeggenschapsraadB2

    consejo escolar de participación

    De medezeggenschapsraad moet instemmen met het plan.

  • de mediaanB2

    mediana

    De mediaan zegt vaak meer dan het gemiddelde.

  • het mediakanaalB2

    canal mediático

    Jongeren gebruiken andere mediakanalen dan ouderen.

  • de mediastrategieB2

    estrategia mediática

    De partij heeft een duidelijke mediastrategie.

  • de mediatheekB2

    mediateca

    De mediatheek beheert ook films en audio.

  • de mediawetB2

    ley de medios

    De Mediawet regelt de publieke omroep.

  • de mediawijsheidB2

    alfabetización mediática

    Scholen geven lessen in mediawijsheid.

  • de medicatieB1

    medicación

    Neem uw medicatie mee naar het gesprek.

  • het medicijnA2

    medicamento

    Neem dit medicijn twee keer per dag.

  • het medicijngebruikB2

    consumo de medicamentos

    Het medicijngebruik onder ouderen is hoog.

  • de medicijnkastB1

    armario de medicinas

    Bewaar medicijnen in de medicijnkast.

  • het mediumB1

    medio (de comunicación)

    Radio is nog steeds een belangrijk medium voor nieuws.

  • het meelA1

    harina

    Voor dit recept heb je meel nodig.

  • meerA1

    más

    Ik heb meer tijd nodig.


    het meer

    lago

    In de zomer zwemmen we in het meer.

  • de meerderheidB1

    mayoría

    De meerderheid van de inwoners is tegen het plan.

  • de meerkeuzevraagB2

    pregunta de opción múltiple

    Het examen bestaat uit meerkeuzevragen.

  • het meervoudB2

    plural

    Het meervoud van 'kind' is 'kinderen'.

  • de meesterA2

    maestro (de escuela)

    De meester leest elke dag voor aan de klas.

  • het meetbaarB2

    medible

    Het effect is nauwelijks meetbaar.

  • het meetinstrumentB2

    instrumento de medición

    Het meetinstrument moet betrouwbaar zijn.

  • de meeuwB2

    gaviota

    De meeuwen pikken het brood zo uit je hand.

  • de meevallerB2

    golpe de suerte

    De belastingteruggave was een meevaller.