Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

2767 palabras · página 91 de 111

  • de universiteitA1

    universidad

    Zij studeert aan de universiteit van Leiden.

  • het uurA1

    hora

    De les duurt één uur.

  • het UWVA2

    organismo de seguros laborales

    Je uitkering loopt via het UWV.

  • vaakA1

    a menudo

    Ik ga vaak met de fiets.

  • de vaardigheidB1

    habilidad

    Communiceren is een belangrijke vaardigheid.

  • de vacatureB1

    vacante

    Er staat een vacature op hun website.

  • de vaccinatieB1

    vacunación

    De vaccinatie is gratis.

  • het vaccinatieprogrammaB1

    programa de vacunación

    Kinderen krijgen prikken via het vaccinatieprogramma.

  • de vaderA1

    padre

    Mijn vader kookt heel goed.

  • het vakB1

    asignatura

    Wiskunde is mijn favoriete vak.


    oficio, profesión

    Hij verstaat zijn vak.

  • de vakantieA2

    vacaciones

    We gaan deze zomer op vakantie naar Spanje.

  • het vakantieadresB1

    dirección de vacaciones

    Geef je vakantieadres door aan je buren.

  • de vakantiebestemmingB1

    destino de vacaciones

    Spanje is een populaire vakantiebestemming.

  • de vakantiedagenA2

    días de vacaciones

    Ik heb nog tien vakantiedagen over.

  • het vakantieparkB1

    parque vacacional

    We huren een huisje op een vakantiepark.

  • de vakantieplanningB1

    planificación de vacaciones

    De vakantieplanning maken we in januari.

  • de valA1

    caída

    Een val is bij ouderen de grootste risicofactor.

  • vallenA1irregular

    viel · vielen · zijn gevallen

    caer

    Pas op, je valt bijna.


    caer (en una fecha)

    Mijn verjaardag valt dit jaar op een zondag.

  • vanA1

    de

    Dit is de fiets van mijn broer.

  • vanafA2

    a partir de, desde

    Vanaf maandag werk ik vier dagen per week.

  • vanavondA1

    esta noche

    Vanavond blijf ik thuis.

  • vandaagA1

    hoy

    Vandaag is het mooi weer.

  • vandaanA2

    de dónde

    Waar kom jij eigenlijk vandaan, uit welk land?

  • vangenB1irregular

    ving · vingen · hebben gevangen

    atrapar, coger

    Mijn zoon ving de bal met één hand.

  • vanmiddagA1

    esta tarde

    Vanmiddag heb ik een afspraak.