Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

223 palabras · página 9 de 9

  • voorkómenA2irregular

    voorkwam · voorkwamen · hebben voorkomen

    prevenir, evitar

    Met een goede planning voorkom je veel stress.

  • voorlezenA2separableirregular

    las voor · lazen voor · hebben voorgelezen

    leer en voz alta

    Wil je mij de brief van de school even voorlezen?

  • voorzienB2irregular

    voorzag · voorzagen · hebben voorzien

    equipar; prever

    Alle kamers zijn voorzien van een eigen badkamer.

  • voorzittenB2separableirregular

    zat voor · zaten voor · hebben voorgezeten

    presidir

    Zij zal de vergadering voorzitten.

  • vragenA1irregular

    vroeg · vroegen · hebben gevraagd

    preguntar

    Mag ik iets vragen?


    pedir

    Hij vraagt zijn buurman om hulp.

  • wassenA2irregular

    waste · wasten · hebben gewassen

    lavar

    Ik moet nog kleren wassen.

  • weersprekenB2irregular

    weersprak · weerspraken · hebben weersproken

    desmentir

    De feiten weerspreken zijn verhaal.

  • weggaanA2separableirregular

    ging weg · gingen weg · zijn weggegaan

    irse

    Wanneer ga je weg?

  • wetenA1irregular

    wist · wisten · hebben geweten

    saber

    Ik weet het niet.

  • wijzenB1irregular

    wees · wezen · hebben gewezen

    señalar (con el dedo)

    Zij wees naar het huis aan de overkant.

  • willenA1irregular

    wilde · wilden · hebben gewild

    querer

    Ik wil graag koffie.

  • winnenA2irregular

    won · wonnen · hebben gewonnen

    ganar (un partido)

    Wie heeft gisteren de wedstrijd gewonnen?

  • wordenA1irregular

    werd · werden · zijn geworden

    llegar a ser

    Hij wil dokter worden.


    (auxiliar de la voz pasiva: ser)

    De brief wordt morgen verstuurd.

  • zeggenA1irregular

    zei · zeiden · hebben gezegd

    decir

    Wat zei je?

  • zendenB2irregular

    zond · zonden · hebben gezonden

    enviar; emitir

    De omroep zendt de wedstrijd live uit.

  • zienA1irregular

    zag · zagen · hebben gezien

    ver

    Ik zie je morgen.

  • zijnA1irregular

    was · waren · zijn geweest

    ser, estar

    Ik ben blij dat je er bent.


    su (de él)

    Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.

  • zingenA2irregular

    zong · zongen · hebben gezongen

    cantar

    Op verjaardagen zingen we een lied.

  • zittenA1irregular

    zat · zaten · hebben gezeten

    estar sentado

    Zij zit op de bank.


    estar (dentro de algo)

    De sleutels zitten in de zak van mijn jas.

  • zittenblijvenB2separableirregular

    bleef zitten · bleven zitten · zijn blijven zitten

    repetir curso

    Zittenblijven helpt niet altijd.

  • zoekenA1irregular

    zocht · zochten · hebben gezocht

    buscar

    Ik zoek mijn sleutels.

  • zullenA1irregular

    zou · zouden

    ir a (futuro)

    Zullen we koffie drinken?

  • zwemmenB1irregular

    zwom · zwommen · hebben/zijn gezwommen

    nadar

    Ik ga twee keer per week zwemmen.