Vocabulario
2916 palabras · página 84 de 117
sportiefB1
deportista
Hij is heel sportief.
de sportkantineB1
cantina del club
Na de wedstrijd zitten we in de sportkantine.
de sportprestatieB1
rendimiento deportivo
Zijn sportprestaties zijn indrukwekkend.
de sportschoolB1
gimnasio
Ik ga drie keer per week naar de sportschool.
de sportuitrustingB1
equipamiento deportivo
Neem je eigen sportuitrusting mee.
het sportveldB1
campo deportivo
Achter de school ligt een sportveld.
de spraakB1
habla
Na de beroerte had hij problemen met zijn spraak.
de spreekbeurtB1
exposición oral
Mijn dochter houdt morgen een spreekbeurt.
de spreekkamerB1
consulta (sala)
De dokter roept u zo in de spreekkamer.
de spreektaalB1
lengua hablada
In spreektaal zeg je dat korter.
het spreektempoB1
velocidad al hablar
Zijn spreektempo ligt erg hoog.
het spreekuurA2
horas de consulta
Het spreekuur is van negen tot elf.
de spreekvaardigheidB1
expresión oral
Mijn spreekvaardigheid is zwakker dan mijn leesvaardigheid.
sprekenA1irregular
sprak · spraken · hebben gesproken
hablar
Spreekt u Nederlands?
springenA1irregular
sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen
saltar
Hij sprong over de sloot.
de spullenA1
cosas
Neem je spullen mee.
staanA1irregular
stond · stonden · hebben gestaan
estar de pie
De auto staat voor het huis.
poner, decir (en un texto)
In de e-mail staat dat de cursus in september begint.
de staatB1
estado
De staat betaalt een groot deel van het onderwijs.
de stadA1
ciudad
Amsterdam is een grote stad.
het stadionA2
estadio
Het stadion zat helemaal vol met supporters.
de stageB1
prácticas
Hij loopt stage bij een groot bedrijf.
stage lopenB1
hacer prácticas
Na de zomer ga ik stage lopen in een ziekenhuis.
de stagiairB1
becario, persona en prácticas
De nieuwe stagiair werkt drie dagen per week bij ons.
de stagiaireB1
becaria
Onze stagiaire studeert verpleegkunde aan het mbo.
de standB1
marcador; posición
De stand na de eerste helft is twee tegen nul.

