Vocabulario
1962 palabras · página 77 de 79
de zakA1
bolsillo; bolsa
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
de zalfA2
pomada
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
het zandA2
arena
De kinderen spelen met emmers in het zand.
de zangerA2
cantante
De zanger kwam op het podium en iedereen juichte.
de zaterdagA1
sábado
Op zaterdag doe ik boodschappen.
het zebrapadA2
paso de cebra
Steek over bij het zebrapad.
de zeeA1
mar
De zee is vandaag onrustig.
de zeepA1
jabón
Was je handen met zeep.
zeggenA1irregular
zei · zeiden · hebben gezegd
decir
Wat zei je?
zekerA1
seguro
Weet je dat zeker?
zeldenA2
raramente
Ik ga zelden naar de bioscoop.
zelfA1
mismo
Dat heb ik zelf gemaakt.
zenuwachtigA2
nervioso
Ik ben zenuwachtig voor het examen.
zesA1
seis
We eten om zes uur.
zestienA1
dieciséis
Met zestien jaar mag je in Nederland op een scooter rijden.
zestigA1
sesenta
Mijn vader is zestig geworden.
zettenA1
zette · hebben gezet
poner (de pie)
Zet de stoel bij het raam.
zevenA1
siete
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
setenta
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
ziekA1
enfermo
Ik ben vandaag ziek.
het ziekenhuisA2
hospital
Ze ligt sinds gisteren in het ziekenhuis.
zich ziekmeldenA2separablereflexivo
meldde ziek · hebben ziekgemeld
avisar de baja por enfermedad
Je moet je voor negen uur ziekmelden.
de ziekteA1
enfermedad
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
zieligA2
que da pena
Dat kleine katje in de regen is echt zielig.
zienA1irregular
zag · zagen · hebben gezien
ver
Ik zie je morgen.

