Vocabulario
1768 palabras · página 71 de 71
het zonlichtB1
luz solar
De kamer krijgt veel zonlicht.
de zonne-energieB1
energía solar
Wij wekken zelf zonne-energie op.
de zonsondergangB1
puesta de sol
We keken naar de zonsondergang op het strand.
de zonsopgangB1
amanecer
In de zomer is de zonsopgang heel vroeg.
de zoonA1
hijo
Hun zoon gaat naar school.
de zorgA2
cuidado, atención (sanitaria)
De zorg in Nederland is goed geregeld.
preocupación
Maak je geen zorgen, het komt wel goed.
de zorgindicatieB1
valoración de necesidad de cuidados
Voor thuiszorg heb je een zorgindicatie nodig.
de zorgmedewerkerB1
trabajador asistencial
De zorgmedewerker komt twee keer per dag.
de zorgpasB1
tarjeta sanitaria
Neem uw zorgpas mee naar de afspraak.
het zorgplanB1
plan de cuidados
In het zorgplan staat wie wat doet.
de zorgtoeslagA2
ayuda para el seguro médico
Met een laag inkomen krijg je zorgtoeslag.
de zorgverlenerB1
proveedor de cuidados
Bespreek dit met uw zorgverlener.
de zorgverzekeringA2
seguro médico
Een zorgverzekering is in Nederland verplicht.
het zoutA1
sal
Er zit te veel zout in.
salado
De soep is me veel te zout.
het zuidenA2
sur
In het zuiden van Nederland is het vaak warmer.
de zusA1
hermana
Ik bel mijn zus elke week.
de zwagerA1
cuñado
Mijn zwager woont in Rotterdam.
het zwembadB1
piscina
Het zwembad is op maandag gesloten.

