Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

1756 palabras · página 68 de 71

  • de winkelierA2

    comerciante

    De winkelier kent al zijn klanten.

  • de winkelketenA2

    cadena de tiendas

    Deze winkelketen heeft filialen door het hele land.

  • het winkelmandjeA2

    cesta de la compra

    Voor een paar dingen pak ik een winkelmandje.

  • het winkelpersoneelA2

    personal de la tienda

    Het winkelpersoneel helpt je graag.

  • de winkeltijdenA2

    horario comercial

    De winkeltijden staan op de deur.

  • de winkelwagenA2

    carrito

    Voor een winkelwagen heb je een muntje nodig.

  • de winnaarA2

    ganador

    De winnaar krijgt een prijs van honderd euro.

  • winnenA2irregular

    won · wonnen · hebben gewonnen

    ganar (un partido)

    Wie heeft gisteren de wedstrijd gewonnen?

  • de winterA1

    invierno

    De winter is hier nat en koud.

  • wisselenA2

    wisselde · hebben gewisseld

    cambiar (dinero)

    Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?


    alternar, cambiar constantemente

    Het weer wisselt hier van uur tot uur.

  • witA1

    blanco

    De muren zijn wit geverfd.

  • de woensdagA1

    miércoles

    Woensdag zijn de kinderen vrij.

  • de wondA1

    herida

    Maak de wond eerst schoon.

  • de wondverzorgingA2

    cura de la herida

    De verpleegkundige doet de wondverzorging.

  • wonenA1

    woonde · hebben gewoond

    vivir, residir

    Wij wonen in Utrecht.

  • de woningA2

    vivienda

    Een betaalbare woning vinden is moeilijk.

  • de woningcorporatieA2

    empresa de vivienda social

    De woningcorporatie verhuurt sociale woningen.

  • de woonadresA2

    domicilio

    Geef je nieuwe woonadres door aan de gemeente.

  • de woonkamerA1

    salón

    De woonkamer is het grootst.

  • de woonruimteA2

    espacio habitable

    Woonruimte is in deze stad schaars.

  • het woordA1

    palabra

    Ik ken dit woord nog niet.

  • het woordenboekA2

    diccionario

    Zoek het woord op in het woordenboek.

  • wordenA1irregular

    werd · werden · zijn geworden

    llegar a ser

    Hij wil dokter worden.


    (auxiliar de la voz pasiva: ser)

    De brief wordt morgen verstuurd.

  • de worstA1

    salchicha

    Bij de slager kocht ik worst.

  • de wortelA1

    zanahoria

    Doe de wortels in de soep.


    raíz

    De wortel van deze boom komt door het tegelpad heen.