Vocabulario
1756 palabras · página 54 de 71
stoppenA1
stopte · hebben/zijn gestopt
parar, dejar de
Hij is gestopt met roken.
de storingA2
avería
Er is een storing in de verwarming.
de stortingA2
ingreso (bancario)
De storting is nog niet zichtbaar op mijn rekening.
de straatA1
calle
Ik woon in een rustige straat.
de strafA2
pena
Hij kreeg een voorwaardelijke straf.
straksA1
luego
Ik bel je straks even terug.
de stroopwafelA1
gofre de sirope
Een stroopwafel bij de koffie is heerlijk.
de studentA1
estudiante
Als student krijg je korting.
de studieA2
estudios
Na haar studie wil zij als advocaat werken.
het stukA1
trozo
Wil je een stuk taart?
roto, averiado
De lift is al een week stuk.
sturenA1
stuurde · hebben gestuurd
enviar
Ik stuur je vanavond een bericht.
het succesA2
éxito; ¡suerte!
Veel succes morgen met je examen!
de suikerA2
azúcar
Ik doe geen suiker in mijn thee.
suikervrijA1
sin azúcar
Deze thee is suikervrij.
de supermarktA2
supermercado
De supermarkt is tot tien uur open.
de SVBA2
banco de seguros sociales
De SVB betaalt de kinderbijslag uit.
de taakA2
tarea
Dat is niet mijn taak.
de taakomschrijvingA2
descripción de tareas
Dat staat niet in mijn taakomschrijving.
de taalA1
idioma
Nederlands is een moeilijke taal.
de taallesA2
clase de idioma
Ik heb twee keer per week taalles.
de taaltoetsA2
prueba de idioma
Voor de cursus doe je eerst een taaltoets.
de taartA1
tarta
Op mijn verjaardag maak ik een taart.
tachtigA1
ochenta
Mijn oma is tachtig jaar.
de tafelA1
mesa
Het eten staat op tafel.
de takenlijstA2
lista de tareas
Ik werk mijn takenlijst af.

