Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

444 palabras · página 5 de 18

  • eruitzienA2separableirregular

    zag eruit · zagen eruit · hebben eruitgezien

    parecer, tener aspecto

    Weet jij hoe de nieuwe buurman eruitziet?

  • ervarenA2irregular

    ervoer · ervoeren · hebben ervaren

    experimentar

    Veel mensen ervaren het examen als stressvol.

  • etenA1irregular

    at · aten · hebben gegeten

    comer

    Wij eten meestal om zes uur.


    het eten

    comida

    Nederlands eten is soms heel simpel.

  • feliciterenB1

    feliciteerde · hebben gefeliciteerd

    felicitar

    Ik wil je feliciteren met je nieuwe baan.

  • fietsenA1

    fietste · hebben/zijn gefietst

    ir en bici

    Ik fiets elke dag naar school.

  • fotograferenB1

    fotografeerde · hebben gefotografeerd

    fotografiar

    Zij fotografeert graag oude gebouwen.

  • functionerenB1

    functioneerde · hebben gefunctioneerd

    desempeñarse

    Hij functioneert goed in het team.

  • gaanA1irregular

    ging · gingen · zijn gegaan

    ir

    Ik ga morgen naar Amsterdam.

  • gamenA2

    gamede · hebben gegamed

    jugar a videojuegos

    Mijn broer gamet elke avond tot laat.

  • gebeurenA1

    gebeurde · zijn gebeurd

    ocurrir

    Wat is er gebeurd?

  • gebruikenA1

    gebruikte · hebben gebruikt

    usar

    Mag ik je telefoon even gebruiken?

  • zich gedragenB1reflexivoirregular

    gedroeg · gedroegen · hebben gedragen

    comportarse

    De kinderen gedroegen zich keurig op het feest.

  • geldenA2irregular

    gold · golden · hebben gegolden

    regir, aplicarse

    Deze regel geldt voor iedereen.

  • gelovenA1

    geloofde · hebben geloofd

    creer

    Ik geloof je wel.

  • genezenA2irregular

    genas · genazen · hebben/zijn genezen

    curar(se)

    De wond is goed genezen.

  • genietenA1irregular

    genoot · genoten · hebben genoten

    disfrutar

    Ik geniet van het rustige weekend.

  • gevenA1irregular

    gaf · gaven · hebben gegeven

    dar

    Geef mij het zout, alsjeblieft.

  • gooienA2

    gooide · hebben gegooid

    tirar, lanzar

    Gooi het papier in de blauwe container.

  • groeienA2

    groeide · zijn gegroeid

    crecer

    De tomaten groeien goed in de warme kas.

  • groetenA2

    groette · hebben gegroet

    saludar

    Groet je buren als je ze tegenkomt.

  • zich haastenB1reflexivo

    haastte · hebben gehaast

    darse prisa

    Je hoeft je niet te haasten, we hebben tijd.

  • halenA1

    haalde · hebben gehaald

    ir a buscar

    Ik haal even brood.

  • hangenA2irregular

    hing · hingen · hebben gehangen

    colgar

    Er hangt een grote klok aan de muur.

  • hardlopenB1separableirregular

    liep hard · liepen hard · hebben hardgelopen

    correr (deporte), hacer footing

    's Ochtends ga ik hardlopen in het park.

  • hatenA1

    haatte · hebben gehaat

    odiar

    Hij haat vergaderingen.