Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

115 palabras · página 5 de 5

  • voorlezenA2separableirregular

    las voor · lazen voor · hebben voorgelezen

    leer en voz alta

    Wil je mij de brief van de school even voorlezen?

  • vragenA1irregular

    vroeg · vroegen · hebben gevraagd

    preguntar

    Mag ik iets vragen?


    pedir

    Hij vraagt zijn buurman om hulp.

  • wassenA2irregular

    waste · wasten · hebben gewassen

    lavar

    Ik moet nog kleren wassen.

  • weggaanA2separableirregular

    ging weg · gingen weg · zijn weggegaan

    irse

    Wanneer ga je weg?

  • wetenA1irregular

    wist · wisten · hebben geweten

    saber

    Ik weet het niet.

  • willenA1irregular

    wilde · wilden · hebben gewild

    querer

    Ik wil graag koffie.

  • winnenA2irregular

    won · wonnen · hebben gewonnen

    ganar (un partido)

    Wie heeft gisteren de wedstrijd gewonnen?

  • wordenA1irregular

    werd · werden · zijn geworden

    llegar a ser

    Hij wil dokter worden.


    (auxiliar de la voz pasiva: ser)

    De brief wordt morgen verstuurd.

  • zeggenA1irregular

    zei · zeiden · hebben gezegd

    decir

    Wat zei je?

  • zienA1irregular

    zag · zagen · hebben gezien

    ver

    Ik zie je morgen.

  • zijnA1irregular

    was · waren · zijn geweest

    ser, estar

    Ik ben blij dat je er bent.


    su (de él)

    Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.

  • zingenA2irregular

    zong · zongen · hebben gezongen

    cantar

    Op verjaardagen zingen we een lied.

  • zittenA1irregular

    zat · zaten · hebben gezeten

    estar sentado

    Zij zit op de bank.


    estar (dentro de algo)

    De sleutels zitten in de zak van mijn jas.

  • zoekenA1irregular

    zocht · zochten · hebben gezocht

    buscar

    Ik zoek mijn sleutels.

  • zullenA1irregular

    zou · zouden

    ir a (futuro)

    Zullen we koffie drinken?