Vocabulario
136 palabras · página 5 de 6
tenminsteB1
al menos
Hij komt morgen, tenminste dat zegt hij.
terugA1
de vuelta
Ik ben om zes uur terug.
tevorenB1
de antemano, con antelación
Bel even van tevoren als je later komt.
tochA1
aun así
Het was koud, maar we gingen toch.
toeB1
cerrado (coloquial)
Doe de deur even toe, het tocht hier.
toevalligA2
por casualidad
Ik zag mijn oude leraar toevallig in de supermarkt.
trouwensA2
por cierto
Trouwens, heb je die brief al gelezen?
uiteindelijkB1
al final, finalmente
Na lang zoeken vonden we uiteindelijk een huis.
uiteraardB1
por supuesto
Uiteraard mag u uw partner meenemen.
vaakA1
a menudo
Ik ga vaak met de fiets.
vanavondA1
esta noche
Vanavond blijf ik thuis.
vandaagA1
hoy
Vandaag is het mooi weer.
vandaanA2
de dónde
Waar kom jij eigenlijk vandaan, uit welk land?
vanmiddagA1
esta tarde
Vanmiddag heb ik een afspraak.
vanmorgenA1
esta mañana
Vanmorgen was het erg koud.
vannachtA1
esta noche; anoche
Vannacht heeft het in het hele land gesneeuwd.
vastB1
seguramente
Hij is vast al thuis, want het licht brandt.
fijo, indefinido
Ik heb sinds januari een vast contract.
verA1
lejos
Is het nog ver?
vervolgensB1
a continuación, luego
Eerst kook je de pasta, vervolgens maak je de saus.
vlakB1
llano, plano
Nederland is een erg vlak land.
justo (al lado)
De bushalte is vlak bij mijn huis.
vooralA1
sobre todo
Ik oefen vooral spreken.
voorbijA2
pasado, terminado
De zomer is weer veel te snel voorbij.
voortaanA2
de ahora en adelante
Voortaan doen we het anders.
vooruitA2
adelante
Met je Nederlands ga je echt vooruit, goed zo!
vroegerA2
antes
Vroeger woonde ik in een dorp.

