Vocabulario
1768 palabras · página 49 de 71
de schoondochterA1
nuera
Onze schoondochter komt uit Spanje.
het schoonmaakmiddelA2
producto de limpieza
Dit schoonmaakmiddel werkt goed op tegels.
de schoonmoederA1
suegra
Mijn schoonmoeder komt zondag eten.
de schoonvaderA1
suegro
Mijn schoonvader helpt vaak in de tuin.
de schoonzoonA1
yerno
Haar schoonzoon werkt in de bouw.
de schoonzusA1
cuñada
Mijn schoonzus komt uit Italië.
de schoorsteenA1
chimenea
Uit de schoorsteen komt rook.
de schouderA1
hombro
Mijn schouder doet pijn.
het schriftA2
cuaderno
Schrijf de nieuwe woorden in je schrift.
het schriftelijkB1
escrito
Het examen bestaat uit een schriftelijk deel.
de schrijfstijlB1
estilo de escritura
Zijn schrijfstijl is helder en kort.
de schrijftaalB1
lengua escrita
Schrijftaal is formeler dan spreektaal.
de schrijfvaardigheidB1
expresión escrita
Schrijfvaardigheid oefen je door veel te schrijven.
de schrijverA2
escritor
Deze schrijver heeft al tien romans geschreven.
de schuldA2
deuda
Hij heeft schulden bij de bank.
culpa
Het was mijn schuld dat we te laat waren.
de schuldeiserB1
acreedor
De schuldeiser wil een betalingsregeling.
de schuurA1
cobertizo
De fietsen staan in de schuur.
de secondeA1
segundo (de tiempo)
Wacht één seconde.
de secretaresseB1
secretaria
De secretaresse maakt een afspraak voor je met de directeur.
de sectorA2
sector
In deze sector is het tekort het grootst.
het seizoenA1
estación (del año)
De herfst is mijn favoriete seizoen.
de seizoensgroenteB1
verdura de temporada
Seizoensgroente is goedkoper en verser.
de seizoenswisselingB1
cambio de estación
Bij de seizoenswisseling word ik vaak verkouden.
septemberA1
septiembre
De school begint weer in september.
de serieA2
serie
Ik kijk elke avond een aflevering van mijn favoriete serie.

