Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

3699 palabras · página 47 de 148

  • het haarA1

    pelo

    Zij heeft lang haar.


    su (de ella)

    Anna zoekt haar sleutels in haar tas.

  • de haastA2

    prisa

    Ik heb haast, want mijn bus vertrekt zo.


    casi

    Het is haast onmogelijk om hier een parkeerplaats te vinden.

  • zich haastenB1reflexivo

    haastte · hebben gehaast

    darse prisa

    Je hoeft je niet te haasten, we hebben tijd.

  • haastigB1

    apresurado

    Hij at haastig zijn brood en rende naar buiten.

  • de hagelslagA1

    fideos de chocolate

    Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.

  • de halA2

    recibidor, vestíbulo

    Zet je schoenen maar in de hal.

  • halenA1

    haalde · hebben gehaald

    ir a buscar

    Ik haal even brood.

  • halfA1

    medio

    Het is half acht.

  • halloA1

    hola; ¿diga?

    Hallo, hoe gaat het?

  • de halteA2

    parada

    De halte is om de hoek.

  • halverwegeB1

    a mitad de camino

    Halverwege de film viel ik in slaap.

  • de hamA1

    jamón

    Ik neem een boterham met ham.

  • de handA1

    mano

    Was je handen voor het eten.

  • de handdoekA1

    toalla

    De handdoek hangt in de badkamer.

  • de handelB1

    comercio

    De haven van Rotterdam is belangrijk voor de handel.

  • handelenB1

    handelde · hebben gehandeld

    actuar; comerciar

    De politie moest snel handelen bij het ongeluk.

  • de handelingB1

    acto, procedimiento

    Deze handeling mag alleen een arts uitvoeren.

  • handhavenB1

    handhaafde · hebben gehandhaafd

    mantener, hacer cumplir

    De politie handhaaft de orde tijdens het feest.

  • handigA1

    práctico

    Dat is een handige app.

  • de handtekeningA2

    firma, rúbrica

    Zet hier onderaan het formulier uw handtekening.

  • hangenA2irregular

    hing · hingen · hebben gehangen

    colgar

    Er hangt een grote klok aan de muur.

  • hardA1

    duro; fuerte

    Het bed is te hard.

  • hardlopenB1separableirregular

    liep hard · liepen hard · hebben hardgelopen

    correr (deporte), hacer footing

    's Ochtends ga ik hardlopen in het park.

  • het hartA1

    corazón

    Mijn hart klopt snel.

  • hartelijkB1

    cordial

    Hartelijk bedankt voor uw hulp en geduld.