Vocabulario
136 palabras · página 4 de 6
nuA1
ahora
Ik heb nu geen tijd.
omhoogA2
arriba, hacia arriba
Kijk eens omhoog, daar vliegt een ooievaar.
ondertussenB1
mientras tanto
Ik kook, en jij dekt ondertussen de tafel.
onderwegA2
en camino
Ik ben al onderweg, over tien minuten ben ik er.
ongeveerA1
aproximadamente
Het duurt ongeveer een uur.
onlineA2
en línea, por internet
Je kunt de kaartjes voor het concert ook online kopen.
onmiddellijkB1
inmediatamente
Bel onmiddellijk 112 als je rook ziet.
ontzettendB1
tremendamente
Ik vond de film ontzettend spannend.
ooitA2
alguna vez
Ben jij ooit in Amsterdam geweest?
opnieuwA1
de nuevo
Probeer het opnieuw.
overalA2
en todas partes
Er liggen overal fietsen.
overmorgenA1
pasado mañana
Overmorgen begint mijn vakantie.
pasA2
no … hasta, recién
De winkel gaat pas om tien uur open.
de pas
tarjeta
Betaal je met je pas of contant?
preciesA1
exactamente
De trein vertrekt precies om acht uur.
rechtsA1
derecha
De supermarkt is rechts van het station.
ruimB1
amplio, espacioso
Het appartement is ruim en heeft een groot balkon.
más de, algo más de
De reis duurt ruim drie uur met de trein.
samenA1
juntos
We eten samen om zes uur.
sindsdienB1
desde entonces
Hij is in 2020 verhuisd en sindsdien woont hij in Breda.
slechtsB1
solo, únicamente
De cursus duurt slechts twee weken.
somsA1
a veces
Soms neem ik de bus.
steedsA2
cada vez más; siempre
Het wordt steeds drukker op de weg.
straksA1
luego
Ik bel je straks even terug.
teA1
demasiado
Deze jas is te duur voor mij.
partícula de infinitivo (te)
Ik probeer elke dag Nederlands te spreken.
tegelijkertijdB1
al mismo tiempo
Ik kan niet koken en tegelijkertijd bellen.
tegenwoordigA2
hoy en día
Tegenwoordig werk ik vaker thuis.

