Vocabulario
2767 palabras · página 38 de 111
huilenA1
huilde · hebben gehuild
llorar
De baby huilt de hele nacht.
het huisA1
casa
Ik woon in een klein huis.
de huisapotheekA2
botiquín doméstico
Zorg voor een goede huisapotheek.
de huisartsA2
médico de cabecera
Je gaat eerst naar de huisarts.
de huisartsenpostA2
servicio de urgencias de atención primaria
's Avonds belt u de huisartsenpost.
de huisbaasA2
casero
Ik heb de huisbaas gebeld over de kraan.
de huisgenootA1
compañero de piso
Mijn huisgenoot kookt vanavond.
de huisregelsA2
normas de la casa
Lees de huisregels van het gebouw.
de huisvestingB1
provisión de vivienda
De huisvesting van studenten is een probleem.
het huiswerkB1
deberes
Ik maak mijn huiswerk 's avonds.
de hulpA1
ayuda
Bedankt voor je hulp.
het hulpmiddelB1
ayuda técnica
Een rollator is een handig hulpmiddel.
de hulpverlenerB1
trabajador de apoyo
Een hulpverlener begeleidt het gezin.
hurenA2
huurde · hebben gehuurd
alquilar
Wij huren een appartement van een woningcorporatie.
de huurA2
alquiler
De huur moet voor de eerste van de maand betaald worden.
de huurbetalingB1
pago del alquiler
De huurbetaling gaat automatisch van mijn rekening.
het huurcontractA2
contrato de alquiler
Lees het huurcontract goed door.
de huurderA2
inquilino
De huurder moet kleine reparaties zelf doen.
de huurprijsB1
precio del alquiler
De huurprijs gaat elk jaar omhoog.
de huurtoeslagA2
ayuda al alquiler
Ik ontvang huurtoeslag van de Belastingdienst.
de huurverhogingA2
subida del alquiler
De huurverhoging gaat in juli in.
de huurwoningB1
vivienda de alquiler
De wachttijd voor een sociale huurwoning is jaren.
het huwelijkA1
matrimonio, boda
Hun huwelijk was in juni.
de hypotheekB1
hipoteca
Zij hebben een hypotheek van dertig jaar.
het ideeA1
idea
Dat is een goed idee.

