Vocabulario
1756 palabras · página 35 de 71
de melkA1
leche
Wil je melk in je koffie?
de meneerA1
señor
Goedemorgen meneer, kan ik u ergens mee helpen?
de meningA2
opinión
Wat is jouw mening hierover?
de mensA1
persona
Hij is een aardig mens.
de mensenA1
gente
Er waren veel mensen op het feest.
het merkA2
marca
Welk merk koop jij meestal?
merkenA2
merkte · hebben gemerkt
notar
Ik merk dat het beter gaat.
de merken
marcas (plural de merk)
In deze winkel verkopen ze alleen bekende merken.
het mesA1
cuchillo
Dit mes is niet scherp.
metA1
con
Ik ga met de fiets.
meteenA1
enseguida
Ik kom er meteen aan.
de meterA1
metro (medida)
De kamer is vier meter lang en drie meter breed.
de methodeA2
método
Welke methode hebben de onderzoekers gebruikt?
de metroA2
metro
In Amsterdam kun je met de metro.
de meubelsA2
muebles
We hebben nieuwe meubels gekocht.
de mevrouwA1
señora
Mevrouw, u bent uw handschoen in de bus vergeten.
de middagA1
tarde (parte del día)
We eten om twaalf uur 's middags.
het middenA2
medio, centro
In het midden van de kamer staat een tafel.
de middernachtA1
medianoche
De trein rijdt tot middernacht.
het milieuA2
medio ambiente
Deze maatregel is beter voor het milieu.
militairA1
militar
Er is militaire steun toegezegd.
miljoenA2
millón
Nederland heeft bijna achttien miljoen inwoners.
minderA1
menos
Ik werk nu minder uren.
het minimumloonA2
salario mínimo
Hij verdient het minimumloon.
de ministerA1
ministro
De minister legde het beleid uit.
het ministerieA2
ministerio
Het ministerie van Onderwijs reageerde snel.

