Vocabulario
1053 palabras · página 35 de 43
de tekstA1
texto
Lees de tekst en beantwoord daarna de vragen.
de telefoonA1
teléfono
Mijn telefoon is leeg.
de televisieA1
televisión
De televisie staat de hele dag aan.
de testA2
prueba, test
De dokter doet een test om te zien wat je hebt.
de theeA1
té
Ik drink liever thee dan koffie.
de theorieA2
teoría
In theorie klopt het, in de praktijk niet.
de thermometerA2
termómetro
Meet even met de thermometer.
de thermostaatA2
termostato
Zet de thermostaat op negentien graden.
het thuisA1
en casa
Vandaag werk ik thuis.
de tijdA1
tiempo
Ik heb geen tijd vandaag.
het tijdschriftA2
revista
Het artikel stond in een wetenschappelijk tijdschrift.
het tijdstipA2
momento (hora)
Wat is een handig tijdstip voor jou?
de tipA2
consejo, truco
Heb jij een goede tip voor een goedkoop restaurant?
de toekomstA2
futuro
In de toekomst wil ik verpleegkundige worden.
de toeslagA2
subsidio
Je kunt bij de Belastingdienst een toeslag aanvragen.
het toiletA1
aseo
Waar is het toilet?
de tomaatA1
tomate
Doe een tomaat in de salade.
de tongA1
lengua
Steek uw tong uit, zegt de dokter.
de toonA2
tono
Zijn toon was nogal onvriendelijk.
het touwA1
cuerda
Bind de doos vast met touw.
de trainerA2
entrenador
De trainer van het voetbalteam is heel streng.
de trainingA2
entrenamiento; formación
Op woensdag heb ik training bij de hockeyclub.
de tramA2
tranvía
Neem tram 4 naar het centrum.
de trapA1
escalera
De trap is erg steil.
de treinA2
tren
De trein naar Amsterdam vertrekt zo.

