Vocabulario
136 palabras · página 3 de 6
inmiddelsB1
ya, mientras tanto
Hij woont inmiddels al tien jaar in Nederland.
jaarlijksA1
anualmente
Er is jaarlijks een buurtfeest.
laterA1
más tarde
We bellen later wel even.
lieverA1
preferiblemente
Ik drink liever thee.
linksA1
izquierda
Sla bij de kerk links af.
maximaalB1
como máximo
In deze lift mogen maximaal zes personen tegelijk.
meeA1
con (nosotros), también
Ga je vanavond mee naar de bioscoop?
meestalA2
normalmente
Ik ga meestal met de fiets.
meteenA1
enseguida
Ik kom er meteen aan.
minderA1
menos
Ik werk nu minder uren.
minstensA2
como mínimo
Je moet minstens een uur voor vertrek op het vliegveld zijn.
misschienA1
quizás
Misschien kom ik later.
momenteelB1
actualmente
Momenteel werk ik vier dagen per week.
morgenA1
mañana
Morgen begin ik vroeg.
naartoeA2
a dónde, hacia allí
Waar ga je in de zomervakantie naartoe?
namelijkA2
es que, a saber
Ik kan niet komen, ik moet namelijk werken.
natuurlijkA1
natural; por supuesto
Dit is een natuurlijk product.
neerB1
abajo
Hij liep de hele dag op en neer in de gang.
nergensA2
en ningún sitio
Ik kan het nergens vinden.
netA1
justo ahora
Hij is net weggegaan.
nogA1
todavía
Ik ben nog niet klaar.
nogalB1
bastante (coloquial)
Het was nogal druk in de stad vandaag.
nogmaalsA1
una vez más
Nogmaals bedankt voor je hulp.
nooitA1
nunca
Ik drink nooit alcohol.
nouA2
bueno, pues
Nou, dan zie ik je morgen wel.

