Vocabulario
Filtros1
106 palabras · página 3 de 5
meteenA1
enseguida
Ik kom er meteen aan.
minderA1
menos
Ik werk nu minder uren.
minstensA2
como mínimo
Je moet minstens een uur voor vertrek op het vliegveld zijn.
misschienA1
quizás
Misschien kom ik later.
morgenA1
mañana
Morgen begin ik vroeg.
naartoeA2
a dónde, hacia allí
Waar ga je in de zomervakantie naartoe?
namelijkA2
es que, a saber
Ik kan niet komen, ik moet namelijk werken.
natuurlijkA1
natural; por supuesto
Dit is een natuurlijk product.
nergensA2
en ningún sitio
Ik kan het nergens vinden.
netA1
justo ahora
Hij is net weggegaan.
nogA1
todavía
Ik ben nog niet klaar.
nogmaalsA1
una vez más
Nogmaals bedankt voor je hulp.
nooitA1
nunca
Ik drink nooit alcohol.
nouA2
bueno, pues
Nou, dan zie ik je morgen wel.
nuA1
ahora
Ik heb nu geen tijd.
omhoogA2
arriba, hacia arriba
Kijk eens omhoog, daar vliegt een ooievaar.
onderwegA2
en camino
Ik ben al onderweg, over tien minuten ben ik er.
ongeveerA1
aproximadamente
Het duurt ongeveer een uur.
onlineA2
en línea, por internet
Je kunt de kaartjes voor het concert ook online kopen.
ooitA2
alguna vez
Ben jij ooit in Amsterdam geweest?
opnieuwA1
de nuevo
Probeer het opnieuw.
overalA2
en todas partes
Er liggen overal fietsen.
overmorgenA1
pasado mañana
Overmorgen begint mijn vakantie.
pasA2
no … hasta, recién
De winkel gaat pas om tien uur open.
de pas
tarjeta
Betaal je met je pas of contant?
preciesA1
exactamente
De trein vertrekt precies om acht uur.

