Vocabulario
1768 palabras · página 29 de 71
het klantcontactB1
trato con clientes
In deze functie heb je veel klantcontact.
de klantenkaartA2
tarjeta de cliente
Met een klantenkaart spaar je punten.
de klantenserviceA2
atención al cliente
Bel de klantenservice als het niet werkt.
de klasA1
clase (grupo de alumnos)
In mijn klas zitten studenten uit tien landen.
de klasgenootA2
compañero de clase
Mijn klasgenoot komt uit Syrië.
het klaslokaalA2
aula
Het klaslokaal is op de tweede verdieping.
de kledingA2
ropa (en general)
In deze winkel verkopen ze kleding voor kinderen.
de kleindochterA1
nieta
Zijn kleindochter gaat al naar school.
het kleinkindA1
nieto o nieta
Zij heeft drie kleinkinderen.
de kleinzoonA1
nieto
Haar kleinzoon is net geboren.
de klerenA1
ropa
Ik koop nieuwe kleren.
de kleurA1
color
Welke kleur vind je mooi?
de klimaatzoneB1
zona climática
Nederland ligt in een gematigde klimaatzone.
de klokA1
reloj
De klok in de keuken loopt voor.
campana
De klok van de kerk luidt elke zondagochtend.
de klusB1
tarea, trabajillo
Het schilderen van de keuken was een flinke klus.
de knieA1
rodilla
Mijn knie doet pijn bij het lopen.
de koekA1
galleta
Bij de koffie krijg je een koekje.
de koelkastA1
nevera
De melk staat in de koelkast.
de kofferA2
maleta
Mijn koffer is te zwaar.
de koffieA1
café
Zullen we een kopje koffie drinken?
de komkommerA1
pepino
Snijd de komkommer in plakjes.
de koningA1
rey
De koning opende het parlementaire jaar.
de koninginA2
reina
De koningin bezocht het ziekenhuis.
de KoningsdagA2
Día del Rey
Op Koningsdag is het hele land oranje.
het koninkrijkB1
reino
Nederland is een koninkrijk met een koning als staatshoofd.

