Vocabulario
796 palabras · página 26 de 32
de tasA1
bolso
Mijn tas staat naast de stoel.
teA1
demasiado
Deze jas is te duur voor mij.
partícula de infinitivo (te)
Ik probeer elke dag Nederlands te spreken.
de teenA1
dedo del pie
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
tegenA1
contra; a (decir a alguien)
Zij zegt iets tegen haar buurvrouw in de lift.
de tekstA1
texto
Lees de tekst en beantwoord daarna de vragen.
de telefoonA1
teléfono
Mijn telefoon is leeg.
de televisieA1
televisión
De televisie staat de hele dag aan.
tellenA1
telde · hebben geteld
contar (números)
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
contar, valer
Deze oefening telt niet mee voor je eindcijfer.
terugA1
de vuelta
Ik ben om zes uur terug.
de theeA1
té
Ik drink liever thee dan koffie.
het thuisA1
en casa
Vandaag werk ik thuis.
tienA1
diez
Ik heb nog tien minuten.
de tijdA1
tiempo
Ik heb geen tijd vandaag.
tijdensA1
durante
Tijdens de les mag je niet bellen.
tochA1
aun así
Het was koud, maar we gingen toch.
het toiletA1
aseo
Waar is het toilet?
de tomaatA1
tomate
Doe een tomaat in de salade.
de tongA1
lengua
Steek uw tong uit, zegt de dokter.
totA1
hasta
De winkel is open tot zes uur.
tot ziensA1
hasta luego
Tot ziens, fijne dag nog!
het touwA1
cuerda
Bind de doos vast met touw.
de trapA1
escalera
De trap is erg steil.
trotsA1
orgulloso; orgullo
Ze is trots op wat ze bereikt heeft.
trouwenA1
trouwde · zijn getrouwd
casarse
Zij gaan in juni trouwen.
de tuinA1
jardín
We hebben een kleine tuin achter het huis.

