Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

6551 palabras · página 259 de 263

  • zinloosB2

    inútil, sin sentido

    Verder discussiëren was zinloos.

  • de zinsbouwB2

    estructura de la frase

    Zijn zinsbouw verraadt zijn moedertaal.

  • zinvolB2

    con sentido, útil

    Vrijwilligerswerk voelt zinvol.

  • zittenA1irregular

    zat · zaten · hebben gezeten

    estar sentado

    Zij zit op de bank.


    estar (dentro de algo)

    De sleutels zitten in de zak van mijn jas.

  • zittenblijvenB2separableirregular

    bleef zitten · bleven zitten · zijn blijven zitten

    repetir curso

    Zittenblijven helpt niet altijd.

  • de zittingB2

    sesión, audiencia; asiento

    De rechter opende de zitting om tien uur.

  • zoA1

    así

    Doe het zo.

  • zo'nA2

    un … así; unos (aprox.)

    Ik wil ook zo'n fiets met een mand voorop.

  • zoalsA2

    como

    Zoals je weet, zijn wij morgen gesloten.

  • zodanigB2

    de tal modo

    Hij was zodanig ziek dat hij niet kon werken.

  • zodatB2

    de modo que

    Schrijf duidelijk, zodat iedereen het begrijpt.

  • zodoendeB2

    de este modo

    Hij mist veel lessen en blijft zodoende achter.

  • zodraA2

    en cuanto

    Ik bel je zodra ik thuis ben.

  • zoekenA1irregular

    zocht · zochten · hebben gezocht

    buscar

    Ik zoek mijn sleutels.

  • de zoekopdrachtB2

    consulta de búsqueda

    Verfijn je zoekopdracht met een extra woord.

  • de zoektochtB1

    búsqueda

    Na een lange zoektocht vond ze eindelijk een huis.

  • zoetA2

    dulce

    Deze appel is heel zoet.


    dulce (agua no salada)

    In de sloot staat zoet water, geen zeewater.

  • zogenaamdB1

    supuesto; supuestamente

    Hij was zogenaamd ziek, maar ging naar het strand.

  • zoietsA2

    algo así

    Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.

  • zojuistB1

    hace un momento

    Ik heb zojuist uw mail ontvangen.

  • zolangB1

    mientras (que), siempre que

    Je mag hier blijven zolang je wilt.

  • de zolderA1

    desván

    De oude spullen liggen op zolder.

  • zomaarA2

    sin más, porque sí

    Hij kwam zomaar binnen zonder te kloppen.

  • de zomerA1

    verano

    In de zomer gaan we naar het strand.

  • de zonA2

    sol

    De zon schijnt eindelijk.