Vocabulario
1053 palabras · página 22 de 43
de meneerA1
señor
Goedemorgen meneer, kan ik u ergens mee helpen?
de meningA2
opinión
Wat is jouw mening hierover?
de mensA1
persona
Hij is een aardig mens.
de mensenA1
gente
Er waren veel mensen op het feest.
het merkA2
marca
Welk merk koop jij meestal?
merkenA2
merkte · hebben gemerkt
notar
Ik merk dat het beter gaat.
de merken
marcas (plural de merk)
In deze winkel verkopen ze alleen bekende merken.
het mesA1
cuchillo
Dit mes is niet scherp.
de meterA1
metro (medida)
De kamer is vier meter lang en drie meter breed.
de methodeA2
método
Welke methode hebben de onderzoekers gebruikt?
de metroA2
metro
In Amsterdam kun je met de metro.
de meubelsA2
muebles
We hebben nieuwe meubels gekocht.
de mevrouwA1
señora
Mevrouw, u bent uw handschoen in de bus vergeten.
de middagA1
tarde (parte del día)
We eten om twaalf uur 's middags.
het middenA2
medio, centro
In het midden van de kamer staat een tafel.
de middernachtA1
medianoche
De trein rijdt tot middernacht.
het milieuA2
medio ambiente
Deze maatregel is beter voor het milieu.
het minimumloonA2
salario mínimo
Hij verdient het minimumloon.
de ministerA1
ministro
De minister legde het beleid uit.
het ministerieA2
ministerio
Het ministerie van Onderwijs reageerde snel.
de minuutA1
minuto
Wacht even, nog één minuut.
de mobielA2
móvil
Mag ik even je mobiel gebruiken om te bellen?
de moederA1
madre
Mijn moeder woont in Utrecht.
de mogelijkheidA2
posibilidad
Er is nog een andere mogelijkheid.
het momentA1
momento
Een moment, ik kom eraan.
de mondA1
boca
Doe je mond open, zegt de tandarts.

