Vocabulario
5480 palabras · página 214 de 220
de zandgrondB2
suelo arenoso
Zandgrond droogt sneller uit.
de zaterdagA1
sábado
Op zaterdag doe ik boodschappen.
het zebrapadA2
paso de cebra
Steek over bij het zebrapad.
de zeeA1
mar
De zee is vandaag onrustig.
de zeearmB2
brazo de mar
De zeearm werd afgesloten met een dam.
de zeefB2
colador
Giet de pasta af in een zeef.
de zeepA1
jabón
Was je handen met zeep.
zeerB1
muy (formal)
De service in dit hotel was zeer goed.
de zeespiegelB2
nivel del mar
De zeespiegel stijgt langzaam.
de zeespiegelstijgingB2
subida del nivel del mar
Zeespiegelstijging bedreigt laaggelegen landen.
de zeevaartB2
navegación marítima
De zeevaart bracht het land welvaart.
zeggenA1irregular
zei · zeiden · hebben gezegd
decir
Wat zei je?
zekerA1
seguro
Weet je dat zeker?
zeldenA2
raramente
Ik ga zelden naar de bioscoop.
zelfA1
mismo
Dat heb ik zelf gemaakt.
het zelfbeeldB2
autoimagen
Sociale media beïnvloeden het zelfbeeld van jongeren.
de zelfbeheersingB2
autocontrol
Hij verloor even zijn zelfbeheersing.
de zelfredzaamheidB2
autonomía personal
De zorg is gericht op zelfredzaamheid van de patiënt.
zelfsB1
incluso
Zelfs op zondag werkt hij in de winkel.
de zelfscankassaB2
caja de autopago
Bij de zelfscankassa is bijna nooit rij.
de zelfspotB2
autoironía
Zelfspot maakt iemand sympathiek.
zelfstandigB1
autónomo, independiente
Je moet in deze functie zelfstandig kunnen werken.
de zelfstandigeB2
trabajador autónomo
Als zelfstandige regel je je eigen pensioen.
de zelfstandigheidB1
autonomía
De functie vraagt veel zelfstandigheid.
de zelfstudieB1
autoaprendizaje
Naast de les doe ik veel zelfstudie.

