Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

140 palabras · página 2 de 6

  • éénA1

    uno

    Ik heb maar één broer en twee zussen.

  • eersteA1

    primero

    Dit is mijn eerste dag hier.

  • elfA1

    once

    De winkel sluit om elf uur.

  • elkA1

    cada (elk)

    Elk kind krijgt een klein cadeautje van de juf.

  • elkaarA1

    el uno al otro

    We helpen elkaar.

  • enA1

    y

    Ik neem brood en kaas.

  • geenA1

    ningún

    Ik heb geen tijd.

  • goedemorgenA1

    buenos días

    Goedemorgen, komt u binnen.

  • het haarA1

    pelo

    Zij heeft lang haar.


    su (de ella)

    Anna zoekt haar sleutels in haar tas.

  • halloA1

    hola; ¿diga?

    Hallo, hoe gaat het?

  • hoeA1

    cómo

    Hoe gaat het met je?

  • hoelangA1

    cuánto tiempo

    Hoelang woon je al in Nederland?

  • hoeveelA1

    cuánto

    Hoeveel kost dit?

  • hoewelA2

    aunque

    Hoewel het regende, gingen we toch.

  • hoiA1

    hola

    Hoi, hoe is het?

  • honderdA1

    cien

    Dat kost ongeveer honderd euro.

  • iedereA1

    cada

    Iedere maandag heb ik les.

  • iedereenA1

    todo el mundo, todos

    Iedereen is welkom.

  • iemandA1

    alguien

    Er staat iemand voor de deur.

  • ietsA1

    algo

    Wil je iets drinken?

  • inA1

    en

    Het zit in de kast.

  • jaA1

    sí

    Ja, ik kom morgen graag naar je feest.

  • langsA2

    a lo largo de; por delante de

    We fietsen langs de rivier naar het centrum.

  • maalB1

    por (×)

    Drie maal vier is twaalf, dat weet elk kind.

  • maarA1

    pero

    Ik wil komen, maar ik heb geen tijd.