Vocabulario
Filtros1
102 palabras · página 2 de 5
geenA1
ningún
Ik heb geen tijd.
goedemorgenA1
buenos días
Goedemorgen, komt u binnen.
het haarA1
pelo
Zij heeft lang haar.
su (de ella)
Anna zoekt haar sleutels in haar tas.
halloA1
hola; ¿diga?
Hallo, hoe gaat het?
hoeA1
cómo
Hoe gaat het met je?
hoelangA1
cuánto tiempo
Hoelang woon je al in Nederland?
hoeveelA1
cuánto
Hoeveel kost dit?
hoiA1
hola
Hoi, hoe is het?
honderdA1
cien
Dat kost ongeveer honderd euro.
iedereA1
cada
Iedere maandag heb ik les.
iedereenA1
todo el mundo, todos
Iedereen is welkom.
iemandA1
alguien
Er staat iemand voor de deur.
ietsA1
algo
Wil je iets drinken?
inA1
en
Het zit in de kast.
jaA1
sí
Ja, ik kom morgen graag naar je feest.
maarA1
pero
Ik wil komen, maar ik heb geen tijd.
meerA1
más
Ik heb meer tijd nodig.
het meer
lago
In de zomer zwemmen we in het meer.
meesteA1
la mayoría
De meeste mensen komen met de fiets.
metA1
con
Ik ga met de fiets.
naA1
después de
Na het eten gaan we wandelen.
naarA1
a, hacia
Ik ga naar mijn werk.
naastA1
al lado de
Hij zit naast mij.
neeA1
no (respuesta)
Nee, dank je, ik hoef geen koffie meer.
negenA1
nueve
Mijn zoon is negen jaar.
negentigA1
noventa
Hij werd negentig jaar oud.

