Vocabulario
1053 palabras · página 19 de 43
de kraanA2
grifo
De kraan lekt al een week.
de krantA1
periódico
Mijn vader leest elke dag de krant.
de kruidenA2
hierbas, especias
Doe er wat kruiden bij.
de kunstA2
arte
In dit museum zie je moderne kunst.
de kunstenaarA2
artista
De kunstenaar werkt vooral met gerecycled materiaal.
het kussenA1
almohada, cojín
Dit kussen is te hard.
de kustA2
costa
De Nederlandse kust wordt beschermd door duinen.
de kwaliteitA2
calidad
De kwaliteit is goed voor die prijs.
het kwartierA1
cuarto de hora
Het duurt nog een kwartier.
laagA1
bajo
De prijs is nu laag.
de laag
capa
Er ligt een dikke laag sneeuw op straat.
het lakenA1
sábana
De lakens moeten in de was.
de lampA1
lámpara
De lamp in de gang is kapot.
het landA1
país
Uit welk land kom je?
de laptopA1
portátil
Thuis werk ik het liefst op mijn laptop.
de leeftijdA1
edad
Wat is de leeftijd van je kinderen?
het leerboekA2
libro de texto
Neem je leerboek mee naar de les.
de leerlingA2
alumno
In deze klas zitten 25 leerlingen.
de leerplichtA2
escolarización obligatoria
In Nederland geldt leerplicht tot achttien jaar.
het legerA1
ejército
Het leger hielp bij de evacuatie.
de lengteA2
longitud; estatura
Wat is je lengte en je gewicht?
de lenteA1
primavera
In de lente bloeien de tulpen.
de lepelA1
cuchara
Ik eet soep met een lepel.
de leraarA2
maestro
De leraar legt het nog een keer uit.
de lesA1
clase, lección
De les Nederlands begint om negen uur.
het lesmateriaalA2
material didáctico
Het lesmateriaal krijg je bij de eerste les.

