Vocabulario
4334 palabras · página 174 de 174
zuurA2
agrio
De melk is zuur geworden.
zwaaienA2
zwaaide · hebben gezwaaid
saludar con la mano, agitar
De kinderen zwaaien naar de trein.
zwaarA2
pesado
Deze koffer is te zwaar voor het vliegtuig.
de zwagerA1
cuñado
Mijn zwager woont in Rotterdam.
zwakA1
débil
Na de griep voelde ik me zwak.
zwangerA2
embarazada
Mijn zus is zeven maanden zwanger.
zwartA1
negro
Hij heeft zwarte schoenen aan.
en negro, sin declarar (trabajo)
Zwart werken kan een hoge boete opleveren.
het zwembadB1
piscina
Het zwembad is op maandag gesloten.
zwemmenB1irregular
zwom · zwommen · hebben/zijn gezwommen
nadar
Ik ga twee keer per week zwemmen.

