Vocabulario
4334 palabras · página 173 de 174
de zonsondergangB1
puesta de sol
We keken naar de zonsondergang op het strand.
de zonsopgangB1
amanecer
In de zomer is de zonsopgang heel vroeg.
de zoonA1
hijo
Hun zoon gaat naar school.
de zorgA2
cuidado, atención (sanitaria)
De zorg in Nederland is goed geregeld.
preocupación
Maak je geen zorgen, het komt wel goed.
zorgenA2
zorgde · hebben gezorgd
encargarse; cuidar
Ik zorg dat het op tijd klaar is.
de zorgindicatieB1
valoración de necesidad de cuidados
Voor thuiszorg heb je een zorgindicatie nodig.
de zorgmedewerkerB1
trabajador asistencial
De zorgmedewerker komt twee keer per dag.
de zorgpasB1
tarjeta sanitaria
Neem uw zorgpas mee naar de afspraak.
het zorgplanB1
plan de cuidados
In het zorgplan staat wie wat doet.
de zorgtoeslagA2
ayuda para el seguro médico
Met een laag inkomen krijg je zorgtoeslag.
de zorgverlenerB1
proveedor de cuidados
Bespreek dit met uw zorgverlener.
de zorgverzekeringA2
seguro médico
Een zorgverzekering is in Nederland verplicht.
het zoutA1
sal
Er zit te veel zout in.
salado
De soep is me veel te zout.
zoveelA2
tanto
Ik heb nog nooit zoveel sneeuw gezien.
zoverB1
listo; hasta ese punto
Ben je zover, kunnen we vertrekken?
zowatB1
casi, más o menos
Hij heeft zowat alles al gezien in zijn leven.
zowelB1
tanto … como
Zowel mijn broer als mijn zus woont in Utrecht.
zozeerB1
tanto, hasta tal punto
Het gaat niet zozeer om het geld, maar om respect.
zuidelijkB1
meridional, del sur
In het zuidelijke deel van het land is het heuvelachtig.
het zuidenA2
sur
In het zuiden van Nederland is het vaak warmer.
zuinigB1
económico, ahorrador
Met een zuinige auto bespaar je veel op benzine.
zuiverenB1
zuiverde · hebben gezuiverd
depurar, purificar
Deze installatie zuivert het water uit de rivier.
zulkB1
tal, tan
Zulk mooi weer hebben we lang niet gehad.
zullenA1irregular
zou · zouden
ir a (futuro)
Zullen we koffie drinken?
de zusA1
hermana
Ik bel mijn zus elke week.

