Vocabulario
3699 palabras · página 130 de 148
vertrouwenA1
vertrouwde · hebben vertrouwd
confiar
Ik vertrouw mijn buren, ze zijn altijd eerlijk.
het vertrouwen
confianza
Het kost tijd om vertrouwen op te bouwen.
het vervalB1
decadencia, deterioro
Het oude kasteel is in verval geraakt.
vervangenA2irregular
verving · vervingen · hebben vervangen
reemplazar, sustituir
De monteur moet de kapotte lamp vervangen.
zich vervelenA2reflexivo
verveelde · hebben verveeld
aburrirse
De kinderen vervelen zich in de vakantie.
vervenA2
verfde · hebben geverfd
pintar (paredes), teñir
We gaan dit weekend de slaapkamer verven.
verversenB1
ververste · hebben ververst
cambiar, renovar (agua, aire)
Ververs het water van de bloemen elke twee dagen.
het vervoerB1
transporte
Openbaar vervoer is hier goed geregeld.
het vervoerbewijsB1
título de transporte
U moet een geldig vervoerbewijs hebben.
vervoerenB1
vervoerde · hebben vervoerd
transportar
De ambulance vervoerde de patiënt naar het ziekenhuis.
het vervoermiddelB1
medio de transporte
De fiets is hier het populairste vervoermiddel.
het vervoersbedrijfB1
empresa de transporte
Het vervoersbedrijf past de dienstregeling aan.
de vervoerskostenB1
gastos de transporte
De vervoerskosten zijn voor eigen rekening.
het vervoersprobleemB1
problema de transporte
Door een vervoersprobleem kwam ik te laat.
het vervolgB1
continuación
Het vervolg van de serie komt volgend jaar.
vervolgenB1
vervolgde · hebben vervolgd
procesar; continuar
De man wordt vervolgd voor fraude.
vervolgensB1
a continuación, luego
Eerst kook je de pasta, vervolgens maak je de saus.
de vervolgopleidingB1
formación de continuación
Na deze cursus kun je een vervolgopleiding doen.
vervullenB1
vervulde · hebben vervuld
cumplir, desempeñar
Zij vervult een belangrijke rol in het team.
verwachtenA1
verwachtte · hebben verwacht
esperar (prever)
We verwachten hem om zes uur.
de verwachtingA2
expectativa
De verwachting is dat het morgen regent.
de verwarmingA2
calefacción
Zet de verwarming wat lager.
verwarrenB1
verwarde · hebben verward
confundir
Je moet 'zich' en 'zij' niet met elkaar verwarren.
verwennenB1
verwende · hebben verwend
mimar, consentir
Opa en oma verwennen de kleinkinderen met snoep.
verwerkenB1
verwerkte · hebben verwerkt
asimilar, procesar
Je moet de stof eerst goed verwerken.
verwijderenB1
verwijderde · hebben verwijderd
eliminar, borrar
Je kunt oude berichten op je telefoon verwijderen.

