Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

3981 palabras · página 125 de 160

  • het studiepuntB1

    crédito académico

    Voor dit vak krijg je vijf studiepunten.

  • de studieschuldB2

    deuda estudiantil

    Hij loste zijn studieschuld in tien jaar af.

  • het studiesuccesB2

    éxito académico

    Studiesucces hangt samen met begeleiding.

  • de studieverenigingB2

    asociación de estudiantes

    De studievereniging organiseert excursies.

  • de studiezaalB2

    sala de estudio

    De studiezaal zit vol in tentamenweek.

  • de studioB1

    estudio

    Zij huurt een kleine studio in het centrum van Utrecht.

  • het stukA1

    trozo

    Wil je een stuk taart?


    roto, averiado

    De lift is al een week stuk.

  • de stylisteB2

    estilista

    De styliste koos de kleding voor de shoot.

  • de subsidieB2

    subvención

    Voor zonnepanelen bestaat er subsidie.

  • de subsidieaanvraagB1

    solicitud de subvención

    De subsidieaanvraag moet voor mei binnen zijn.

  • de subsidieregelingB2

    régimen de subvenciones

    Er bestaat een subsidieregeling voor isolatie.

  • het succesA2

    éxito; ¡suerte!

    Veel succes morgen met je examen!

  • de suikerA2

    azúcar

    Ik doe geen suiker in mijn thee.

  • het suikergehalteB2

    contenido de azúcar

    Het suikergehalte staat op de verpakking.

  • de supermarktA2

    supermercado

    De supermarkt is tot tien uur open.

  • de supporterB2

    aficionado

    De supporters bleven tot het einde.

  • de surveillantB2

    vigilante de examen

    De surveillant deelt de opgaven uit.

  • de SVBA2

    banco de seguros sociales

    De SVB betaalt de kinderbijslag uit.

  • het symboolB2

    símbolo

    De tulp is een symbool van Nederland.

  • de symfonieB2

    sinfonía

    De symfonie bestaat uit vier delen.

  • het symptoomB1

    síntoma

    Koorts is een bekend symptoom.

  • de synagogeB2

    sinagoga

    De synagoge is nu ook museum.

  • het synoniemB2

    sinónimo

    Zoek een synoniem voor dit woord.

  • het systeemB1

    sistema

    Het nieuwe systeem op het werk werkt nog niet goed.

  • de taakA2

    tarea

    Dat is niet mijn taak.