Vocabulario
796 palabras · página 12 de 32
iedereenA1
todo el mundo, todos
Iedereen is welkom.
iemandA1
alguien
Er staat iemand voor de deur.
ietsA1
algo
Wil je iets drinken?
het ijsA1
hielo, helado
De kinderen willen een ijsje.
inA1
en
Het zit in de kast.
de informatieA1
información
Meer informatie vind je op de website.
jaA1
sí
Ja, ik kom morgen graag naar je feest.
het jaarA1
año
Een jaar heeft twaalf maanden.
jaarlijksA1
anualmente
Er is jaarlijks een buurtfeest.
de jamA1
mermelada
Ik eet brood met jam.
januariA1
enero
Mijn cursus begint in januari.
jarigA1
que cumple años
Mijn zoon is vandaag jarig.
de jasA1
abrigo
Doe je jas aan, het is koud.
jongA1
joven
Zij is nog heel jong.
de jongenA1
chico
Die jongen is mijn zoon.
juliA1
julio
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
junio
In juni beginnen de examens.
de jurkA1
vestido
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.
de kaarsA1
vela
Op tafel brandt een kaars.
de kaartA1
tarjeta; mapa
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
de kaasA1
queso
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
de kachelA1
estufa
Zet de kachel wat hoger.
de kamA1
peine
Mag ik je kam even lenen?
de kamerA1
habitación
Mijn kamer is niet zo groot.
cámara (del parlamento)
De Tweede Kamer stemt volgende week over de wet.
de kaneelA1
canela
Doe wat kaneel op de appels.

