Vocabulario
3699 palabras · página 113 de 148
de taxiA2
taxi
We namen een taxi naar het hotel.
teA1
demasiado
Deze jas is te duur voor mij.
partícula de infinitivo (te)
Ik probeer elke dag Nederlands te spreken.
het teamA2
equipo
Ik werk in een klein team van vijf collega's.
de teamgeestB1
espíritu de equipo
De teamgeest is hier goed.
de teamleiderB1
jefe de equipo
Vraag het even aan de teamleider.
de teamsportB1
deporte de equipo
Voetbal is de bekendste teamsport.
de teamvergaderingA2
reunión de equipo
De teamvergadering is elke maandag.
de techniekB1
técnica
Hij heeft veel interesse in techniek en computers.
technischB1
técnico
Zij volgt een technische opleiding op het mbo.
de technologieA2
tecnología
Nieuwe technologie verandert de arbeidsmarkt.
de teenA1
dedo del pie
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
tegelijkA2
a la vez
Praat niet allemaal tegelijk.
tegelijkertijdB1
al mismo tiempo
Ik kan niet koken en tegelijkertijd bellen.
tegenA1
contra; a (decir a alguien)
Zij zegt iets tegen haar buurvrouw in de lift.
tegenhoudenB1separableirregular
hield tegen · hielden tegen · hebben tegengehouden
detener, impedir
Niemand kon hem tegenhouden toen hij weg wilde.
tegenkomenB1separableirregular
kwam tegen · kwamen tegen · zijn tegengekomen
encontrarse con
Ik kwam gisteren mijn oude buurvrouw tegen.
tegenoverA2
enfrente de
De bakker zit tegenover de kerk.
de tegenstanderB1
adversario, rival
Onze tegenstander was veel sterker dan wij.
tegenwoordigA2
hoy en día
Tegenwoordig werk ik vaker thuis.
het tegoedA2
saldo disponible
Er staat nog tegoed op mijn kaart.
het tekenB1
señal, signo
Een rode lucht is een teken van mooi weer.
tekenenA2
tekende · hebben getekend
dibujar
Mijn dochter tekent graag.
de tekeningA2
dibujo
Mijn dochter maakte een mooie tekening van ons huis.
het tekortB1
escasez, déficit
Er is een groot tekort aan leraren.
de tekstA1
texto
Lees de tekst en beantwoord daarna de vragen.

