Vocabulario
2767 palabras · página 110 de 111
zodraB1
en cuanto
Ik bel je zodra ik thuis ben.
zoekenA1irregular
zocht · zochten · hebben gezocht
buscar
Ik zoek mijn sleutels.
zoetA2
dulce
Deze appel is heel zoet.
dulce (agua no salada)
In de sloot staat zoet water, geen zeewater.
zoietsA2
algo así
Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.
zolangB1
mientras (que), siempre que
Je mag hier blijven zolang je wilt.
de zolderA1
desván
De oude spullen liggen op zolder.
zomaarA2
sin más, porque sí
Hij kwam zomaar binnen zonder te kloppen.
de zomerA1
verano
In de zomer gaan we naar het strand.
de zonA2
sol
De zon schijnt eindelijk.
de zondagA1
domingo
Zondag zijn veel winkels dicht.
zonderA1
sin
Koffie zonder suiker, alstublieft.
de zoneB1
zona (delimitada)
In deze zone mag je maar dertig kilometer per uur rijden.
het zonlichtB1
luz solar
De kamer krijgt veel zonlicht.
de zonne-energieB1
energía solar
Wij wekken zelf zonne-energie op.
de zonsondergangB1
puesta de sol
We keken naar de zonsondergang op het strand.
de zonsopgangB1
amanecer
In de zomer is de zonsopgang heel vroeg.
de zoonA1
hijo
Hun zoon gaat naar school.
de zorgA2
cuidado, atención (sanitaria)
De zorg in Nederland is goed geregeld.
preocupación
Maak je geen zorgen, het komt wel goed.
zorgenA2
zorgde · hebben gezorgd
encargarse; cuidar
Ik zorg dat het op tijd klaar is.
de zorgindicatieB1
valoración de necesidad de cuidados
Voor thuiszorg heb je een zorgindicatie nodig.
de zorgmedewerkerB1
trabajador asistencial
De zorgmedewerker komt twee keer per dag.
de zorgpasB1
tarjeta sanitaria
Neem uw zorgpas mee naar de afspraak.
het zorgplanB1
plan de cuidados
In het zorgplan staat wie wat doet.
de zorgtoeslagA2
ayuda para el seguro médico
Met een laag inkomen krijg je zorgtoeslag.
de zorgverlenerB1
proveedor de cuidados
Bespreek dit met uw zorgverlener.

