Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

16 palabras · página 1 de 1

  • zelfA1

    mismo

    Dat heb ik zelf gemaakt.

  • zesA1

    seis

    We eten om zes uur.

  • zestigA1

    sesenta

    Mijn vader is zestig geworden.

  • zevenA1

    siete

    Een week heeft zeven dagen.

  • zeventigA1

    setenta

    Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.

  • zijnA1irregular

    was · waren · zijn geweest

    ser, estar

    Ik ben blij dat je er bent.


    su (de él)

    Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.

  • zoA1

    así

    Doe het zo.

  • zo'nA2

    un … así; unos (aprox.)

    Ik wil ook zo'n fiets met een mand voorop.

  • zoalsA2

    como

    Zoals je weet, zijn wij morgen gesloten.

  • zodraB1

    en cuanto

    Ik bel je zodra ik thuis ben.

  • zoietsA2

    algo así

    Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.

  • zolangB1

    mientras (que), siempre que

    Je mag hier blijven zolang je wilt.

  • zonderA1

    sin

    Koffie zonder suiker, alstublieft.

  • zoveelA2

    tanto

    Ik heb nog nooit zoveel sneeuw gezien.

  • zowelB1

    tanto … como

    Zowel mijn broer als mijn zus woont in Utrecht.

  • zulkB1

    tal, tan

    Zulk mooi weer hebben we lang niet gehad.