Vocabulario
6 palabras · página 1 de 1
zachtA1
blando, suave
Dit kussen is lekker zacht.
bajo, suave (de sonido)
Praat wat zachter, de kinderen slapen al.
zekerA1
seguro
Weet je dat zeker?
ziekA1
enfermo
Ik ben vandaag ziek.
het zoutA1
sal
Er zit te veel zout in.
salado
De soep is me veel te zout.
zwakA1
débil
Na de griep voelde ik me zwak.
zwartA1
negro
Hij heeft zwarte schoenen aan.
en negro, sin declarar (trabajo)
Zwart werken kan een hoge boete opleveren.

