Vocabulario
6 palabras · página 1 de 1
wandelenA1
wandelde · hebben/zijn gewandeld
pasear
We gaan zondag wandelen.
werkenA1
werkte · hebben gewerkt
trabajar
Zij werkt in een ziekenhuis.
funcionar (un aparato)
De lift werkt vandaag niet.
wetenA1irregular
wist · wisten · hebben geweten
saber
Ik weet het niet.
willenA1irregular
wilde · wilden · hebben gewild
querer
Ik wil graag koffie.
wonenA1
woonde · hebben gewoond
vivir, residir
Wij wonen in Utrecht.
wordenA1irregular
werd · werden · zijn geworden
llegar a ser
Hij wil dokter worden.
(auxiliar de la voz pasiva: ser)
De brief wordt morgen verstuurd.

