Vocabulario
150 palabras · página 3 de 6
weggaanA2separableirregular
ging weg · gingen weg · zijn weggegaan
irse
Wanneer ga je weg?
weggooienA2separable
gooide weg · hebben weggegooid
tirar
Gooi het oude papier weg.
het wegverkeerB1
tráfico rodado
Het wegverkeer neemt elk jaar toe.
de wegwerkzaamhedenB1
obras en la carretera
Er zijn wegwerkzaamheden op de A2.
de wegwijzerB1
señal indicadora
Volg de wegwijzers naar het centrum.
weigerenB1
weigerde · hebben geweigerd
rechazar
Hij weigerde het voorstel.
het weilandB1
prado
In het weiland staan koeien.
weinigA1
poco
Ik heb weinig tijd.
wekelijksA1
semanalmente
De les is wekelijks op dinsdag.
welA1
sí (afirmación enfática)
Ik heb geen auto, maar wel een fiets.
welkeA1
cuál, qué
Welke bus moet ik nemen?
welkomA1
bienvenido
Welkom bij ons thuis!
wennenA2
wende · zijn gewend
acostumbrarse
Ik moet nog wennen aan het Nederlandse weer.
de wensA2
deseo
Mijn grootste wens is een eigen huis.
wensenA2
wenste · hebben gewenst
desear
Wij wensen u veel beterschap.
de wereldA1
mundo
Nederlandse kaas is bekend in de hele wereld.
wereldwijdB1
mundial; en todo el mundo
Het probleem van plastic is wereldwijd bekend.
het werkA1
trabajo
Ik ga om acht uur naar mijn werk.
de werkafspraakA2
acuerdo de trabajo
We maken hierover een werkafspraak.
de werkbesprekingB1
reunión operativa
De werkbespreking is elke maandagochtend.
het werkbriefjeA2
hoja de horas
Lever je werkbriefje op vrijdag in.
de werkdagA2
jornada laboral
Het was een lange werkdag.
het werkdocumentB1
documento de trabajo
Bewaar dit werkdocument goed.
werkelijkB1
realmente
Ik weet werkelijk niet wat ik moet doen.
werkenA1
werkte · hebben gewerkt
trabajar
Zij werkt in een ziekenhuis.
funcionar (un aparato)
De lift werkt vandaag niet.

