Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

8 palabras · página 1 de 1

  • verantwoordenB1

    verantwoordde · hebben verantwoord

    justificar (una decisión)

    Je moet je keuzes kunnen verantwoorden.


    zich verantwoordenreflexivo

    rendir cuentas

    Hij moest zich verantwoorden tegenover de directie.

  • zich vergissenB1reflexivo

    vergiste · hebben vergist

    equivocarse

    Sorry, ik heb me vergist in de datum.

  • zich verslapenA2reflexivoirregular

    versliep · versliepen · hebben verslapen

    quedarse dormido

    Ik heb me verslapen en kwam te laat.

  • zich vervelenA2reflexivo

    verveelde · hebben verveeld

    aburrirse

    De kinderen vervelen zich in de vakantie.

  • verzettenA2

    verzette · hebben verzet

    cambiar de fecha (una cita)

    Kunnen we de afspraak naar vrijdag verzetten?


    zich verzettenreflexivo

    oponerse, resistirse

    Veel bewoners verzetten zich tegen het plan.

  • zich vestigenA2reflexivo

    vestigde · hebben gevestigd

    establecerse

    Veel jonge gezinnen vestigen zich in deze wijk.

  • voelenA1

    voelde · hebben gevoeld

    sentir (algo)

    Ik voel de wind in mijn gezicht.


    zich voelenreflexivo

    sentirse

    Ik voel me vandaag beter.

  • voorbereidenA2separable

    bereidde voor · hebben voorbereid

    preparar (algo)

    We bereiden de vergadering samen voor.


    zich voorbereidenreflexivo

    prepararse

    Ik bereid me voor op het examen.