Vocabulario
19 palabras · página 1 de 1
vaakA1
a menudo
Ik ga vaak met de fiets.
vanavondA1
esta noche
Vanavond blijf ik thuis.
vandaagA1
hoy
Vandaag is het mooi weer.
vandaanA2
de dónde
Waar kom jij eigenlijk vandaan, uit welk land?
vanmiddagA1
esta tarde
Vanmiddag heb ik een afspraak.
vanmorgenA1
esta mañana
Vanmorgen was het erg koud.
vannachtA1
esta noche; anoche
Vannacht heeft het in het hele land gesneeuwd.
vastB1
seguramente
Hij is vast al thuis, want het licht brandt.
fijo, indefinido
Ik heb sinds januari een vast contract.
verA1
lejos
Is het nog ver?
vervolgensB1
a continuación, luego
Eerst kook je de pasta, vervolgens maak je de saus.
vlakB1
llano, plano
Nederland is een erg vlak land.
justo (al lado)
De bushalte is vlak bij mijn huis.
vooralA1
sobre todo
Ik oefen vooral spreken.
voorbijA2
pasado, terminado
De zomer is weer veel te snel voorbij.
voornamelijkB2
principalmente
In deze wijk wonen voornamelijk jonge gezinnen met kinderen.
voortaanA2
de ahora en adelante
Voortaan doen we het anders.
voortsB2
asimismo
Voorts vragen wij aandacht voor het budget.
vooruitA2
adelante
Met je Nederlands ga je echt vooruit, goed zo!
vrijwelB2
prácticamente
Vrijwel iedereen in de klas heeft een telefoon.
vroegerA2
antes
Vroeger woonde ik in een dorp.

