Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

16 palabras · página 1 de 1

  • vaakA1

    a menudo

    Ik ga vaak met de fiets.

  • vanavondA1

    esta noche

    Vanavond blijf ik thuis.

  • vandaagA1

    hoy

    Vandaag is het mooi weer.

  • vandaanA2

    de dónde

    Waar kom jij eigenlijk vandaan, uit welk land?

  • vanmiddagA1

    esta tarde

    Vanmiddag heb ik een afspraak.

  • vanmorgenA1

    esta mañana

    Vanmorgen was het erg koud.

  • vannachtA1

    esta noche; anoche

    Vannacht heeft het in het hele land gesneeuwd.

  • vastB1

    seguramente

    Hij is vast al thuis, want het licht brandt.


    fijo, indefinido

    Ik heb sinds januari een vast contract.

  • verA1

    lejos

    Is het nog ver?

  • vervolgensB1

    a continuación, luego

    Eerst kook je de pasta, vervolgens maak je de saus.

  • vlakB1

    llano, plano

    Nederland is een erg vlak land.


    justo (al lado)

    De bushalte is vlak bij mijn huis.

  • vooralA1

    sobre todo

    Ik oefen vooral spreken.

  • voorbijA2

    pasado, terminado

    De zomer is weer veel te snel voorbij.

  • voortaanA2

    de ahora en adelante

    Voortaan doen we het anders.

  • vooruitA2

    adelante

    Met je Nederlands ga je echt vooruit, goed zo!

  • vroegerA2

    antes

    Vroeger woonde ik in een dorp.