Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

24 palabras · página 1 de 1

  • de taalA1

    idioma

    Nederlands is een moeilijke taal.

  • de taartA1

    tarta

    Op mijn verjaardag maak ik een taart.

  • de tafelA1

    mesa

    Het eten staat op tafel.

  • de tandA1

    diente

    Er is een tand afgebroken.

  • de tandenborstelA1

    cepillo de dientes

    Vergeet je tandenborstel niet.

  • de tanteA1

    tía

    Mijn tante komt op bezoek.

  • de tasA1

    bolso

    Mijn tas staat naast de stoel.

  • de teenA1

    dedo del pie

    Ik stootte mijn teen tegen de tafel.

  • de tekstA1

    texto

    Lees de tekst en beantwoord daarna de vragen.

  • de telefoonA1

    teléfono

    Mijn telefoon is leeg.

  • de televisieA1

    televisión

    De televisie staat de hele dag aan.

  • de theeA1

    té

    Ik drink liever thee dan koffie.

  • het thuisA1

    en casa

    Vandaag werk ik thuis.

  • de tijdA1

    tiempo

    Ik heb geen tijd vandaag.

  • het toiletA1

    aseo

    Waar is het toilet?

  • de tomaatA1

    tomate

    Doe een tomaat in de salade.

  • de tongA1

    lengua

    Steek uw tong uit, zegt de dokter.

  • het touwA1

    cuerda

    Bind de doos vast met touw.

  • de trapA1

    escalera

    De trap is erg steil.

  • de tuinA1

    jardín

    We hebben een kleine tuin achter het huis.

  • het tuinpadA1

    camino del jardín

    Het tuinpad ligt vol bladeren.

  • de tuinstoelA1

    silla de jardín

    De tuinstoelen staan in de schuur.

  • de tvA1

    tele, TV

    We kijken vanavond samen een film op tv.

  • de tweelingA1

    gemelos

    Zij heeft een tweeling gekregen.