Vocabulario
229 palabras · página 2 de 10
de schoolA1
escuela
Mijn kinderen gaan hier naar school.
de schoolgidsA2
guía escolar
In de schoolgids staan alle regels.
het schoolrapportA2
boletín de notas
Het schoolrapport komt in juli.
de schooltijdA2
horario escolar
Na schooltijd gaan de kinderen naar de opvang.
de schoolvakantieA2
vacaciones escolares
In de schoolvakantie zijn de lessen vrij.
schoonA1
limpio
De keuken is weer schoon.
de schoondochterA1
nuera
Onze schoondochter komt uit Spanje.
het schoonmaakmiddelA2
producto de limpieza
Dit schoonmaakmiddel werkt goed op tegels.
schoonmakenA2separable
maakte schoon · hebben schoongemaakt
limpiar
Op zaterdag maak ik het huis schoon.
de schoonmoederA1
suegra
Mijn schoonmoeder komt zondag eten.
de schoonvaderA1
suegro
Mijn schoonvader helpt vaak in de tuin.
de schoonzoonA1
yerno
Haar schoonzoon werkt in de bouw.
de schoonzusA1
cuñada
Mijn schoonzus komt uit Italië.
de schoorsteenA1
chimenea
Uit de schoorsteen komt rook.
de schouderA1
hombro
Mijn schouder doet pijn.
het schriftA2
cuaderno
Schrijf de nieuwe woorden in je schrift.
het schriftelijkB1
escrito
Het examen bestaat uit een schriftelijk deel.
de schrijfstijlB1
estilo de escritura
Zijn schrijfstijl is helder en kort.
de schrijftaalB1
lengua escrita
Schrijftaal is formeler dan spreektaal.
de schrijfvaardigheidB1
expresión escrita
Schrijfvaardigheid oefen je door veel te schrijven.
schrijvenA1irregular
schreef · schreven · hebben geschreven
escribir
Schrijf je naam op het formulier.
de schrijverA2
escritor
Deze schrijver heeft al tien romans geschreven.
de schuldA2
deuda
Hij heeft schulden bij de bank.
culpa
Het was mijn schuld dat we te laat waren.
de schuldeiserB1
acreedor
De schuldeiser wil een betalingsregeling.
schuldigA2
culpable
De rechter achtte hem schuldig.

