Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

132 palabras · página 4 de 6

  • politiekA1

    política

    In de politiek gaat het vaak om compromissen.

  • de polsA1

    muñeca

    Ik heb mijn pols verstuikt.


    pulso

    De verpleegkundige voelt eerst je pols.

  • de poortB1

    portón, puerta

    Fietsen kun je achter de poort in de tuin zetten.

  • populairB1

    popular

    Fietsen is in Nederland erg populair.

  • de portemonneeA1

    cartera

    Mijn portemonnee zit in mijn tas.

  • de portieA2

    ración

    Dat is een grote portie.

  • de positieB1

    posición

    Zij heeft een goede positie binnen het bedrijf.

  • positiefB1

    positivo

    Probeer positief te blijven, ook als het moeilijk is.

  • de postA2

    correo

    Ik heb vandaag een brief van de gemeente met de post gekregen.

  • de postzegelA1

    sello

    Je hebt een postzegel nodig voor deze brief.

  • prachtigA2

    precioso, magnífico

    Vanaf de dijk heb je een prachtig uitzicht.

  • de praktijkB1

    práctica

    In de praktijk werkt het anders dan op papier.


    consulta (médica)

    De praktijk van onze huisarts is op maandag dicht.

  • pratenA1

    praatte · hebben gepraat

    hablar, charlar

    We praten straks verder.

  • preciesA1

    exactamente

    De trein vertrekt precies om acht uur.

  • de preiA1

    puerro

    Doe wat prei in de soep.

  • de premierB1

    primer ministro

    De premier geeft vanavond een persconferentie.

  • de presentatieB1

    presentación

    Ik moet een presentatie geven.

  • presenterenB1

    presenteerde · hebben gepresenteerd

    presentar

    Morgen presenteer ik mijn werkstuk voor de klas.

  • de presidentB1

    presidente

    De president van Frankrijk bezoekt volgende week Nederland.

  • de prestatieB1

    rendimiento, logro

    De school is trots op de prestaties van de leerlingen.

  • presterenB1

    presteerde · hebben gepresteerd

    rendir

    Onder druk presteert hij juist beter.

  • prettigA2

    agradable (sensación)

    Ik vind het prettig om in de ochtend te sporten.

  • de prijsA1

    precio

    De prijs staat op het etiket.


    premio

    Zij heeft de eerste prijs gewonnen met haar verhaal.

  • de prijsafspraakB1

    acuerdo de precio

    We hebben vooraf een prijsafspraak gemaakt.

  • het prijskaartjeA2

    etiqueta de precio

    Er zit geen prijskaartje op.