Vocabulario
13 palabras · página 1 de 1
de naamA1
nombre
Wat is jouw naam?
de nachtA1
noche
Ik heb de hele nacht slecht geslapen.
de nagelA1
uña
Mijn nagels zijn te lang.
het NederlandsA1
neerlandés (idioma)
Ik leer al twee jaar Nederlands op een taalschool.
de neefA1
primo, sobrino
Mijn neef is even oud als ik.
de nekA1
cuello
Ik heb een stijve nek.
de neusA1
nariz
Mijn neus is verstopt.
de nichtA1
prima, sobrina
Mijn nicht woont in Rotterdam.
de nierA1
riñón
Hij heeft problemen met zijn nieren.
het nieuwsA1
noticias
Ik volg het nieuws elke ochtend.
de nootA1
nuez
Ik ben allergisch voor noten.
nota (musical)
Bij deze noot moet je het pedaal indrukken.
novemberA1
noviembre
November is een donkere maand.
het nummerA1
número
Wat is het nummer van je huis?

