Vocabulario
5 palabras · página 1 de 1
makenA1
maakte · hebben gemaakt
hacer, fabricar
Zij maakt een taart voor het feest.
meldenA1
meldde · hebben gemeld
notificar
U moet een verhuizing melden bij de gemeente.
missenA1
miste · hebben gemist
perder; echar de menos
Ik heb de bus gemist.
moetenA1irregular
moest · moesten · hebben gemoeten
tener que
Ik moet nu weg.
mogenA1irregular
mocht · mochten · hebben gemogen
poder (permiso)
Mag ik hier zitten?

