Vocabulario
28 palabras · página 1 de 2
de maagA1
estómago
Ik heb last van mijn maag.
de maandA1
mes
Volgende maand ga ik op vakantie.
de maandagA1
lunes
Op maandag begin ik om negen uur.
maartA1
marzo
De cursus start in maart.
de mamaA1
mamá
Mama, mag ik vanmiddag bij mijn vriendin spelen?
de manA1
hombre
Die man werkt in de winkel.
marido
Haar man haalt de kinderen van school.
de manierA1
manera
Dat is een handige manier om te oefenen.
het matrasA1
colchón
Dit matras is te zacht voor mij.
het meelA1
harina
Voor dit recept heb je meel nodig.
meerA1
más
Ik heb meer tijd nodig.
het meer
lago
In de zomer zwemmen we in het meer.
meiA1
mayo
Mijn verjaardag is in mei.
het meisjeA1
chica
Het meisje speelt buiten.
de melkA1
leche
Wil je melk in je koffie?
de meneerA1
señor
Goedemorgen meneer, kan ik u ergens mee helpen?
de mensA1
persona
Hij is een aardig mens.
de mensenA1
gente
Er waren veel mensen op het feest.
het mesA1
cuchillo
Dit mes is niet scherp.
de meterA1
metro (medida)
De kamer is vier meter lang en drie meter breed.
de mevrouwA1
señora
Mevrouw, u bent uw handschoen in de bus vergeten.
de middagA1
tarde (parte del día)
We eten om twaalf uur 's middags.
de middernachtA1
medianoche
De trein rijdt tot middernacht.
de ministerA1
ministro
De minister legde het beleid uit.
de minuutA1
minuto
Wacht even, nog één minuut.
de moederA1
madre
Mijn moeder woont in Utrecht.
het momentA1
momento
Een moment, ik kom eraan.

