Vocabulario
122 palabras · página 1 de 5
de kaarsA1
vela
Op tafel brandt een kaars.
de kaartA1
tarjeta; mapa
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
het kaartjeA2
billete
Ik heb mijn kaartje al gekocht.
de kaasA1
queso
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
het kabinetA2
gabinete
Het nieuwe kabinet is deze week beëdigd.
de kachelA1
estufa
Zet de kachel wat hoger.
de kamA1
peine
Mag ik je kam even lenen?
de kamerA1
habitación
Mijn kamer is niet zo groot.
cámara (del parlamento)
De Tweede Kamer stemt volgende week over de wet.
het kampB1
campamento
In de zomer gaan de kinderen een week op kamp.
kamperenB1
kampeerde · hebben gekampeerd
acampar
We gaan deze zomer kamperen in Frankrijk.
de kampioenB1
campeón
Onze club werd dit jaar kampioen van de regio.
het kanaalA2
canal (de agua)
Het kanaal verbindt twee rivieren.
de kandidaatB1
candidato (en general)
Er zijn drie kandidaten voor deze baan.
de kaneelA1
canela
Doe wat kaneel op de appels.
de kansA1
oportunidad
Dit is een mooie kans voor jou.
de kantA2
lado
Aan welke kant van de straat woont u?
het kantoorA2
oficina
Ons kantoor is vlak bij het station.
de kantoorurenA2
horario de oficina
Bel tijdens kantooruren.
kapotA2
roto, estropeado
Mijn telefoon is kapot, het scherm doet niets meer.
het karakterB1
carácter
Zij heeft een sterk en vrolijk karakter.
de kassaA2
caja (para pagar)
Bij de kassa is een lange rij.
de kassamedewerkerA2
cajero
De kassamedewerker was heel vriendelijk.
de kastA1
armario
Je jas hangt in de kast.
de keelA1
garganta
Ik heb pijn in mijn keel.
de keelpijnA2
dolor de garganta
Ik heb keelpijn en kan slecht slikken.

