Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

93 palabras · página 1 de 4

  • de kaarsA1

    vela

    Op tafel brandt een kaars.

  • de kaartA1

    tarjeta; mapa

    Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.

  • het kaartjeA2

    billete

    Ik heb mijn kaartje al gekocht.

  • de kaasA1

    queso

    Nederlandse kaas is bekend in de wereld.

  • het kabinetA2

    gabinete

    Het nieuwe kabinet is deze week beëdigd.

  • de kachelA1

    estufa

    Zet de kachel wat hoger.

  • de kamA1

    peine

    Mag ik je kam even lenen?

  • de kamerA1

    habitación

    Mijn kamer is niet zo groot.


    cámara (del parlamento)

    De Tweede Kamer stemt volgende week over de wet.

  • het kanaalA2

    canal (de agua)

    Het kanaal verbindt twee rivieren.

  • de kaneelA1

    canela

    Doe wat kaneel op de appels.

  • de kansA1

    oportunidad

    Dit is een mooie kans voor jou.

  • de kantA2

    lado

    Aan welke kant van de straat woont u?

  • het kantoorA2

    oficina

    Ons kantoor is vlak bij het station.

  • de kantoorurenA2

    horario de oficina

    Bel tijdens kantooruren.

  • kapotA2

    roto, estropeado

    Mijn telefoon is kapot, het scherm doet niets meer.

  • de kassaA2

    caja (para pagar)

    Bij de kassa is een lange rij.

  • de kassamedewerkerA2

    cajero

    De kassamedewerker was heel vriendelijk.

  • de kastA1

    armario

    Je jas hangt in de kast.

  • de keelA1

    garganta

    Ik heb pijn in mijn keel.

  • de keelpijnA2

    dolor de garganta

    Ik heb keelpijn en kan slecht slikken.

  • de keerA1

    vez

    Ik ga twee keer per week sporten.

  • de kelderA1

    sótano

    De fietsen staan in de kelder.

  • kennenA1

    kende · hebben gekend

    conocer

    Ken je die man?

  • de kennisA1

    conocimiento

    Hij heeft veel kennis van computers.


    conocido (persona)

    Een kennis van mij werkt bij die school.

  • de kerkA1

    iglesia

    De kerk staat op het plein.